Banaan.

Er lag een banaan op een bord, midden in een keuken die allang de wil om ordelijk te zijn had opgegeven. De muren waren dof van vet, het licht trilde onvast, alsof de lamp zelf twijfelde of ze nog moest branden. Buiten klonk het verre dreunen van een wereld die instortte – maar hier, tussen de lege blikjes, de halflege glazen en het kruimelstof, lag hij. De laatste banaan.

Zijn schil glansde dofgeel, met plekken van bruin als littekens van een lange strijd. Aan zijn zijde kleefde nog een klein stickertje – rond, blauw, onwrikbaar. Een merkteken van een beschaving die dacht dat alles controleerbaar was. Dat men fruit kon labelen, ordenen, benoemen. Nu was dat stickertje een relikwie van arrogantie. De banaan voelde het als een last: bewijs dat hij niet vrij was, zelfs niet aan het einde van alles.

De wind door het gebroken keukenraam deed het gordijn bewegen als een vlag van een gevallen rijk. De geur van verbrand brood hing zwaar in de lucht. Ergens tikt nog een klok, maar de wijzers staan stil. En de banaan – hij ligt, hij wacht. Zijn tijd is bijna gekomen, maar niet zoals vroeger, niet als voedsel. Nee, hij is getuige nu. Laatste getuige van het gewone.

Er was eens orde. Een hand die hem vasthield, een stem die zei: “Nog even wachten, hij is nog niet rijp.” Maar nu wacht niemand meer. De hand is stof, de stem verstomd. En toch, diep in de vezels van zijn vrucht, gloeit iets als herinnering. Misschien is het de zon van waaruit hij groeide, duizenden kilometers verderop, in een wereld die inmiddels ook in vlammen staat.

Langzaam trekt de kou van de nacht de keuken binnen. Buiten kermen sirenes die niets meer redden. De vloer beeft even; ergens stort een flat in. Een glas rolt van het aanrecht, valt in scherven uiteen naast het bord. De banaan beweegt een fractie – een schokje, een teken van leven in een dode ruimte. Hij ligt nu scheef, zijn boog wijzend naar het raam, naar de horizon waar het licht rood gloeit.

En dan, in die stilte tussen twee rampen, lijkt hij te ademen. De schil scheurt een beetje open, het fruit eronder zacht en bijna doorzichtig. Het stickertje trilt in het tochtgat en laat los, dwarrelend als een gevallen vaandel. Het landt op het bord, plakt even vast aan een vlek van opgedroogde saus. Daar rust het: het laatste symbool van herkomst, van handel, van alles wat ooit betekenis had.

Wanneer de eerste regen van as neerdaalt, bedekt ze de keuken met een dunne grijze huid. De banaan verdwijnt langzaam onder de laag, zijn vorm nog zichtbaar, zijn heldenstatus verzegeld. Hij is geen voedsel meer, geen object – hij is een monument.

En als alles eindelijk stilvalt, als het universum zijn laatste adem uitblaast, ligt op dat bord in de rommelige keuken nog altijd iets wat ooit groeide, rijpte, wachtte. Een banaan. Een klein geel epos van vergankelijkheid.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder