Soms, in de laatste minuten voor sluitingstijd, wanneer het TL-licht in de supermarkt net iets feller flikkert en het personeel met een passieve-agressieve glimlach de vloer begint te vegen alsof ze je subtiel willen uitwissen, ontstaat er iets wonderlijks. Niet groots, niet goddelijk—maar wel vreemd intiem. Je grijpt producten zonder na te denken, geleid door impuls, herinneringsflarden en een vaag gevoel van ‘iets nodig hebben’. En voor je het weet, loop je met een mandje vol objecten die je niet hebt gekozen, maar die jou misschien wel hebben gekozen. Daar, tussen de drang om ‘nog snel iets te halen’ en de overgebleven rommel op halflege schappen, openbaart zich een soort supermarkt-zen. Een toestand waarin alles—elke banaan, elke tube tandpasta—een verhaal in zich draagt. En misschien zelfs… iets voelt.
