Groot en klein wisselen van jas zodra de ochtend mijn spiegel aansteekt. De rechterkant van mijn gezicht zwelt als een vriendelijke komeet, een zeil van huid en herinnering dat het licht vangt; links blijft een smalle maan die door kieren zoekt naar een veilig woord. Ik buig de dag in en de meubels schuiven naar rechts alsof zwaartekracht verliefd is op asymmetrie. Men zegt dat maat een meetlint heeft – ik weet dat maat een koorts is, stijgend onder het oog van wie meet en dalend zodra ik alleen ben. Wanneer ik loop, hinkt de horizon. Rechts ritselt een woud van grotere gedachten, bladeren zo wijd als beddenlakens waarop ongeschreven romans slapen. Links trilt een veld van miniaturen: windmolens die zaadjes malen, huizen die in luciferdoosjes ademen, stemmen die klinken als zand in een glasbuis. Mijn lach gaat scheef, een brug die slechts aan één oever hecht. De klokken kiezen partij – aan de rechtermuur strekken seconden zich uit als kathedralen, aan de linkermuur schieten minuten weg als zilveren vissen. Ik bezoek de markt van proporties, waar handelaars kilo’s schaduwen verkopen en het kleinste kraampje de zwaarste stilte weegt. Een koopman meet mijn profiel met twee linten – één die elastischer wordt van bewondering, één die krimpt bij twijfel. Hij knikt naar mijn rechterwang, die als een continent buiten de kaart hangt, met bergketens van poriën en rivieren van glimlachlijnen. Mijn linkerwang is een eiland zonder haven, slechts een vuurtoren van porselein die flitsen werpt op verdwijnende schepen. Ik betaal met een munt die even groot is als een gedachte en even klein als een speld.
