k heb ontdekt – of beter gezegd, ik heb mezelf laten meesleuren in de ontdekking – dat men niet verliefd wordt op wat men kan aanraken, maar juist op datgene wat altijd net een fractie verderop ligt, een flard, een echo van jezelf, de contour die zich aftekent in het licht en tegelijk in het donker geboren wordt, een schaduw die zich gewillig laat volgen zolang je haar niet recht in de ogen probeert te kijken, want dan vlucht zij, dunner wordend, veraf, bijna spottend in haar ongrijpbaarheid, en hoe sterker het licht dat haar tot leven roept, hoe scherper zij zich tekent, hoe pijnlijker helder zij zich presenteert, en hoe onmogelijker het wordt haar werkelijk te bereiken, want de afstand tussen mijzelf en mijn eigen verlenging groeit naarmate ik dichterbij wil komen, alsof liefde zelf een paradox is, een spel dat men nooit kan winnen. En ik, dwalend door kamers waar lampen knipperen en de zon door gordijnen breekt, loop achter mijn eigen verlangen aan, steeds met het idee dat ik op het punt sta haar – ja, haar, want ik heb mijn schaduw een vrouwelijk gezicht gegeven, een lichaam dat beweegt met een onafhankelijkheid die ik niet bezit – vast te grijpen, en steeds weer blijf ik achter met een lege hand, een uitgestrekte arm, een ademtocht die niets raakt behalve lucht en nog meer lucht, en ik raak verdwaald in de gedachte dat misschien het volgen van de schaduw, het najagen van dit onbereikbare silhouet, meer is dan genoeg, misschien zelfs de essentie van alle liefde: het verlangen zelf als doel, niet de vervulling.
