Wachten.

Er is een moment op een dag zoals deze – een dag waarop de zon zo warm op je huid drukt dat de grens tussen lente en zomer zich als een dunne nevel aan de horizon oplost, een dag waarop de lucht trilt van de belofte van iets dat komen zal, maar niet komt – waarop je je realiseert, terwijl je naar een lege brievenbus staart, dat er wederom geen post voor je is. Niet dat je iets concreets verwachtte, niet dat er een brief in de lucht hing, niet dat een handschrift uit het verleden of een officieel bericht uit de toekomst zich had aangekondigd, maar toch was er een vaag en ongefundeerd vermoeden geweest, een sluimerend idee dat deze dag anders zou kunnen zijn, dat er misschien een bericht zou liggen dat een nieuw hoofdstuk zou inluiden, een brief die het ongedefinieerde wachten zou doorbreken. En in dat besef, dat lege besef van een verwachting die in haar onbevestigde bestaan nog het meest op een illusie leek, loop je verder, een pad volgend dat geen bestemming heeft, tot je tot stilstand komt voor een spoorwegovergang. De slagbomen zijn gesloten. De lampen knipperen hun repetitieve waarschuwing, maar de lucht trilt slechts van hitte en insectengezoem, en nergens aan de horizon is het dreigende silhouet van een naderende trein te bekennen. En toch wacht je.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands