Wachten.

Er is een moment op een dag zoals deze – een dag waarop de zon zo warm op je huid drukt dat de grens tussen lente en zomer zich als een dunne nevel aan de horizon oplost, een dag waarop de lucht trilt van de belofte van iets dat komen zal, maar niet komt – waarop je je realiseert, terwijl je naar een lege brievenbus staart, dat er wederom geen post voor je is. Niet dat je iets concreets verwachtte, niet dat er een brief in de lucht hing, niet dat een handschrift uit het verleden of een officieel bericht uit de toekomst zich had aangekondigd, maar toch was er een vaag en ongefundeerd vermoeden geweest, een sluimerend idee dat deze dag anders zou kunnen zijn, dat er misschien een bericht zou liggen dat een nieuw hoofdstuk zou inluiden, een brief die het ongedefinieerde wachten zou doorbreken.

En in dat besef, dat lege besef van een verwachting die in haar onbevestigde bestaan nog het meest op een illusie leek, loop je verder, een pad volgend dat geen bestemming heeft, tot je tot stilstand komt voor een spoorwegovergang. De slagbomen zijn gesloten. De lampen knipperen hun repetitieve waarschuwing, maar de lucht trilt slechts van hitte en insectengezoem, en nergens aan de horizon is het dreigende silhouet van een naderende trein te bekennen.

En toch wacht je.

Want hoe vanzelfsprekend is het niet om te wachten wanneer het mechanisme van de wereld je dat opdraagt? Hoe onlosmakelijk is het menselijke bewustzijn verweven met de idee dat een afgesloten pad opengaat, dat een tijd die stil lijkt te staan uiteindelijk zal bewegen, dat het loze tikken van een klok in de leegte zich ooit zal vullen met betekenis? Je zou kunnen oversteken. De rails liggen onschuldig onder de zon, glimmend als de belofte van iets dat zal gebeuren, maar niets verraadt een onmiddellijke dreiging. Maar je wacht. Niet omdat je gelooft dat er iets móét komen, maar omdat de situatie je dwingt om betekenis te geven aan de wachttijd zelf.

En zo worden deze twee momenten – het vergeefse kijken naar een brievenbus die nooit iets brengt en het wachten voor een overgang waar geen trein lijkt te verschijnen – tot metaforen voor een groter mechanisme, een fundamenteel ritme van het bestaan waarin de mens, gevangen in de structuur van verwachtingspatronen, gedwongen wordt om te geloven dat leegte een betekenisvolle pauze is en geen eindpunt. Dat er achter het uitblijven van een brief een toekomstige boodschap schuilt, dat de gesloten slagbomen uiteindelijk zullen opengaan, dat het leven niet stilstaat, ook wanneer het dat onmiskenbaar lijkt te doen.

Maar terwijl je daar staat, de warme wind in je gezicht, de geur van verhitte metalen rails in je neus, terwijl het besef indaalt dat het wachten misschien niet de voorbode van beweging is, maar een toestand op zichzelf, dat de wereld niet altijd een verklaring heeft, dat de brief niet komt omdat er geen brief is en dat de trein misschien wel nooit zal passeren, komt een subtiele maar onvermijdelijke conclusie opzetten: misschien is dit het moment waarop je moet gaan. Misschien is de afwezigheid van het verwachte juist de opening naar een ander pad. Misschien is de enige manier om verder te komen niet om te blijven wachten, maar om de weg over te steken, ondanks de slagbomen, ondanks de knipperende lichten, ondanks de onuitgesproken regels van de wachttijd.

En terwijl je de eerste stap zet over de rails, voel je hoe de lucht nog steeds trilt – niet van naderend gevaar, maar van de eindeloze, ongrijpbare beweging van het bestaan zelf.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder