Stel je een lange gang voor, oneindig in beide richtingen. Aan weerszijden van deze gang staan deuren. Aan de linkerzijde: de even getallen. Aan de rechterzijde: de oneven. Elk getal is een kamer, en elk getal is een persoon. Ze fluisteren onder elkaar, kibbelen over hun bestaansreden. De even getallen dragen grijze mantels, symmetrisch geknipt. De oneven getallen daarentegen zijn wild, ongekamd, hun stemmen ongelijkmatig en hun passen stotend. Nu wordt de gang gevuld met licht: het licht van de oneindigheid. Dit is geen gewone oneindigheid, maar een oneindigheid met smaak. Een oneindigheid die oordeelt, die onderscheid maakt tussen orde en chaos. En hier openbaart zich het eerste teken: elk oneven getal kan worden omgezet in een even getal, simpelweg door er 1 van af te halen. 7 wordt 6, 5 wordt 4. Maar niet elk even getal kan zo elegant veranderen in een oneven, want 0, het absolute even, heeft geen oneven voorganger. Het is de oorsprong, de eerste stilte, de moeder van de pariteit. 0 telt mee, zeggen de wijzen, en daarmee hebben de even getallen een voorsprong van één. Maar we zijn hier niet voor kinderachtige rekenspelletjes. We zoeken naar een dieper bewijs, een bewijs waarin de logica zich onderwerpt aan de verbeelding.
