Het begint — zoals alle eindes doen — onopvallend, met een geroutineerde handeling die zich, al jaren, zonder veel aandacht voltrekt: een hand, een hoofd, wat schuim, en de suggestie van controle over een lichaam dat doorgaans braaf doet wat je vraagt, tot het dat plotseling niet meer doet. Want precies daar, op dat kantelpunt tussen gewoonte en onheil, breekt het open: een nagel, gescheurd, niet diep, niet bloedend, maar met een scherpheid die dwars door het weefsel van de wereld snijdt — en daar, op dat snijvlak, dringt pijn zich op met de onbescheidenheid van een elementair natuurverschijnsel. Het water is 42 graden, wat heet genoeg is om troost te beloven maar niet heet genoeg om vergeten mogelijk te maken, en daar, onder die kunstmatige regen, in de echo van een supermarkt zonder weerklank, staat hij — een man met een nat boodschappenlijstje in de hand dat ooit bedoeld was om houvast te bieden maar nu oplost als rijstpapier in een pot vol zelfmedelijden. Het lijstje, dat niets meer is dan een opsomming van het alledaagse (melk, wc-papier, prei, afwasmiddel), transformeert in zijn druipende toestand tot een soort ritueel object, een bezwering, een kaart van betekenisloosheid waarop elke vlek een emotioneel coördinaat wordt — niet omdat het lijstje belangrijk is, maar omdat het dat toevallig net wél lijkt te zijn op dit precieze moment van fragiele werkelijkheid.
