Pindakaas.

Je denkt dat het een potje pindakaas is. Dat is wat je denkt. Dat is de geruststellende illusie die je brein je influistert terwijl je daar staat in je pyjamabroek, om 14:46 op een dinsdagmiddag, starend in een cilinder van glas en afbladderende hoop. Maar nee. Het is geen potje pindakaas. Het is een spiegel. Een monument. Een archeologische opgraving van alles wat je ooit onder het vloerkleed van je bewustzijn hebt geveegd. De restjes. O god, de restjes. De binnenwand is besmeurd met taaie, opgedroogde lagen. Alsof iemand een mislukte fresco heeft geprobeerd te maken met noten en spijt. En jij staart. Je staart lang. Te lang. Tot je begint te zweten vanbinnen, want daar — in dat onschuldige veegje bij de rand — zie je het gezicht van je vader, toen hij zei: “Jij weer?” Of misschien is het je basisschoollerares, die nooit doorhad dat je stil was omdat je dacht, niet omdat je dom was. Of misschien ben jij het wel. Dat kind in de achterbank van een grijze stationwagen, dat dacht dat pindakaas en liefde hetzelfde waren.

De Leegte -een derde notitie- .

De Leegte -een derde notitie- . Je hand glijdt langs de muur, een zoekende beweging in het zwart. Het lichtknopje moet hier zijn, toch? Dat was altijd zo. Of was dat ergens anders? De muur voelt koud en glad, onpersoonlijk bijna, alsof het niet echt een muur is, maar een idee van een muur—iets wat er hoort te zijn, maar tegelijkertijd in twijfel wordt getrokken. Je vingers blijven zoeken, tastend, schrapend, maar het licht blijft uit. Het is pas later, wanneer je naar adem hapt in een stilte die je niet begrijpt, dat je beseft dat er iets mis is. De deur, waar is de deur eigenlijk? Je draait je om, of althans, je denkt dat je je omdraait, want de ruimte om je heen biedt geen aanknopingspunten. Geen geluid, geen contouren, geen hints van waar iets begint of eindigt. Het is alsof je verloren bent in een leegte die je zelf hebt opgeroepen, een zwart gat waarin elke zekerheid verdwijnt.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands