Het begint altijd met een snaar. Een zachte trilling in de lucht die je pas voelt als je dichtbij genoeg bent. Het bushokje staat daar als een groot, rustend instrument, zijn klankkast breed en glanzend, met nerven die zich als een partituur over het hout verspreiden. De opening vinden—dat is de eerste uitdaging. Want een viool heeft geen duidelijke ingang. Of misschien is het juist andersom: misschien zijn alle plekken waar het hout zich opent, een mogelijke ingang. Maar welke snaar moet je raken om erdoor te mogen? Ik beweeg langzaam langs het hout, mijn vingers glijdend over de gladde oppervlakte. Een subtiele resonantie onder mijn vingertoppen. De brug trilt als ik erlangs strijk; een trilling die zich voortplant door het hokje, alsof het zelf probeert te zeggen: hier, hier moet je zijn. Maar zodra ik naar de trillende plek toe beweeg, zwakt het geluid weer af, verdwijnt de opening als een akkoord dat uitdooft in de lucht.
