Het begint altijd met een snaar. Een zachte trilling in de lucht die je pas voelt als je dichtbij genoeg bent. Het bushokje staat daar als een groot, rustend instrument, zijn klankkast breed en glanzend, met nerven die zich als een partituur over het hout verspreiden. De opening vinden—dat is de eerste uitdaging. Want een viool heeft geen duidelijke ingang. Of misschien is het juist andersom: misschien zijn alle plekken waar het hout zich opent, een mogelijke ingang. Maar welke snaar moet je raken om erdoor te mogen?
Ik beweeg langzaam langs het hout, mijn vingers glijdend over de gladde oppervlakte. Een subtiele resonantie onder mijn vingertoppen. De brug trilt als ik erlangs strijk; een trilling die zich voortplant door het hokje, alsof het zelf probeert te zeggen: hier, hier moet je zijn. Maar zodra ik naar de trillende plek toe beweeg, zwakt het geluid weer af, verdwijnt de opening als een akkoord dat uitdooft in de lucht.
Andere wachtenden staan al binnen. Ik zie ze door de dunne f-vormige uitsnedes in het hout. Sommigen zitten rustig op de kam van de viool, anderen leunen tegen de snaren, hun lichamen in evenwicht gehouden door de spanning van het instrument. Ze kijken me aan, maar niemand geeft aanwijzingen. De zoektocht is persoonlijk. Niemand anders kan je leren hoe je de opening van een viool vindt. Je moet het zelf voelen.
En dan—een flageolet. Een hoog, bijna breekbaar geluid, ergens rechts van me. Ik draai me om, stap naar voren en voel hoe het hout zich onder mijn hand opent. De ingang is er plotseling, alsof ik per ongeluk precies de juiste noot heb geraakt. Ik stap naar binnen, het hout sluit zich achter me met een zachte klank van een neervallend akkoord. Ik zit. De spanning in de snaren onder me trilt zachtjes door mijn lichaam.
Dan komt de bus eraan. Het geluid van de motor botst vreemd met de subtiele harmonie van het hokje. De toonhoogte verandert. Het hout resoneert anders, alsof het zich voorbereidt op een nieuw akkoord. En daar komt de volgende uitdaging: de uitgang. Want een viool laat je niet zomaar los.
De toon van de motor stijgt, het hokje trilt, en ik voel hoe de brug onder me zich begint te openen. Ik sta op, zet een stap naar voren—maar het is niet genoeg. Mijn hand glijdt langs de snaren, ik voel hoe het hout zich samentrekt. Pas wanneer ik zachtjes tegen een snaar tik, opent zich een opening aan de linkerkant. Het hokje zingt zachtjes terwijl ik naar buiten stap, alsof het afscheid neemt met een slotakkoord.
Buiten vervaagt het geluid. De bus stopt. Ik kijk nog een keer achterom en zie het hokje zich langzaam sluiten. De trillingen sterven uit, het hout ontspant zich. Maar ergens in de stilte hoor ik nog het nagalmen van een akkoord dat zich voor altijd in mijn lichaam heeft genesteld.


Geef een reactie