Wanneer ik het deken over mijn hoofd trek, verschuift de slaapkamer in een andere staat van bestaan. Het zachte gewicht van stof verandert in een drempel, een sluier tussen het gewone en een plaats die nergens op lijkt. De lucht wordt warmer, compacter, maar ook vreemd ruim, alsof elke ademtocht een deur opent naar gangen die niet zichtbaar zijn. Ik lig stil, maar iets in mij begint te dwalen. Onder de koepel van het deken maakt tijd een kleine misstap. Minuten verliezen hun volgorde en schuiven als schimmen tegen elkaar aan. De contouren van mijn lichaam vervloeien en worden een soort kaart die zichzelf voortdurend herschrijft. Ik voel mijn benen niet langer als vaste lijnen, maar als paden die voorbij de grenzen van mijn huid kronkelen. Mijn armen veranderen in lanen die zich splitsen zonder waarschuwing, zonder eindpunt. De duisternis onder het deken is niet leeg – ze is vol van alle richtingen die ik tegelijk opga.
