De Deken.

Wanneer ik het deken over mijn hoofd trek, verschuift de slaapkamer in een andere staat van bestaan. Het zachte gewicht van stof verandert in een drempel, een sluier tussen het gewone en een plaats die nergens op lijkt. De lucht wordt warmer, compacter, maar ook vreemd ruim, alsof elke ademtocht een deur opent naar gangen die niet zichtbaar zijn. Ik lig stil, maar iets in mij begint te dwalen.

Onder de koepel van het deken maakt tijd een kleine misstap. Minuten verliezen hun volgorde en schuiven als schimmen tegen elkaar aan. De contouren van mijn lichaam vervloeien en worden een soort kaart die zichzelf voortdurend herschrijft. Ik voel mijn benen niet langer als vaste lijnen, maar als paden die voorbij de grenzen van mijn huid kronkelen. Mijn armen veranderen in lanen die zich splitsen zonder waarschuwing, zonder eindpunt. De duisternis onder het deken is niet leeg – ze is vol van alle richtingen die ik tegelijk opga.

Ik luister naar mijn adem en merk hoe het ritme verschuift. Soms klinkt het alsof iemand anders ademt, iemand die precies op mijn plek ligt, maar dan toch net anders. Misschien ben ik dat zelf, gesplitst in meerdere versies die allemaal hetzelfde proberen te begrijpen. Het deken wordt een plafond dat zich steeds verder van mij verwijdert, een zacht dak dat uitreikt naar hoogtes die nergens stoppen. Mijn gedachten bewegen als reizigers door gangen die steeds breder worden en dan weer vernauwen tot draadjes. Ik probeer eraan vast te houden, maar zelfs dat vastgrijpen verandert weer in een zijpad.

De warmte wordt een kompas, maar een grillig kompas. Soms trekt ze me naar binnen, naar een plek waar stilte pulseert als een hartslag. Soms duwt ze me naar buiten, waar geluiden veranderen in stromingen die me voeren door kamers zonder muren. Ik herken iets dat lijkt op de schaduw van mijn eigen bewustzijn – een fluisterende aanwezigheid die mij vooruit duwt in een doolhof zonder zichtbare ingangen of uitgangen. Iedere bocht die ik neem, opent zich in een nieuwe ruimte die niet lijkt op de vorige. En toch is er telkens een echo die me doet geloven dat alles met elkaar verbonden is.

Het voelt niet alsof ik ontsnap. Het is eerder een uitrekken van de zintuigen. Een uitbreiding van wat ik dacht te zijn. De stof boven mijn gezicht wordt dunner, al blijft hij fysiek hetzelfde. Hij lijkt doorlaatbaar voor gedachten die normaal geen vorm vinden. Soms zie ik kleuren die nergens vandaan komen. Soms hoor ik een zachte trilling, alsof de ruimte zingt. Het is geen lied dat ik kan onthouden, maar wel een dat me richting geeft.

Wanneer ik uiteindelijk het deken weer van mijn hoofd schuif, voelt het alsof ik terugkeer uit een plaats zonder grenzen, een plek waar mijn gedachten de vorm aannamen van kronkelende gangen en open velden tegelijk. De kamer is dezelfde als tevoren, maar mijn lichaam lijkt kort te zweven tussen twee toestanden – het gewone en het onmeetbare. En ergens diep in mij blijft een spoor achter van de tocht die ik net heb afgelegd, een stille aanwijzing dat ik die plek altijd opnieuw kan betreden door simpelweg mijn handen te heffen en het deken boven mij te laten vallen.



Leave a Reply

Proudly powered by WordPress

Up ↑

en_USEnglish

Discover more from Mijn NiemandsLand

Subscribe now to keep reading and get access to the full archive.

Continue reading