In het café kreeg je na middernacht geen dessert meer, maar soms nog een schaduw. De uitbater schoof dan een klein bord onder de lamp en legde er met zijn hand een donkere vorm op. Die bleef liggen wanneer hij zijn hand weghaalde. Het was een eenvoudige bereiding, afhankelijk van de stand van de lamp en de mate waarin de avond zich al had verdicht. De vrouw aan de bar had er niet om gevraagd. Ze was binnengekomen omdat haar jas doorweekt was en de volgende tram nog lang op zich liet wachten. Onder de jas droeg ze iets glanzends dat in deze verlichting minder feestelijk leek dan eerder op de avond. Haar make-up zat nog op haar gezicht, maar had de oorspronkelijke verdeling verlaten. De uitbater zette het bord neer. Ze proefde voorzichtig met het lepeltje. Vanille, onmiskenbaar, maar zonder de zoete aandrang waarmee vanille zich meestal aankondigde. De smaak verscheen pas nadat ze had doorgeslikt, op de plaats waar je anders merkte dat iets voorbij was. Buiten maakte een auto een brede golf door de goot. Binnen bleef het bord droog en donker.
De beste schaduw kwam volgens de uitbater van voorwerpen die lang genoeg waren gebruikt om niet meer alles terug te kaatsen. Nieuwe glazen leverden een dunne smaak op. Een onbeschadigde lepel gaf bijna niets. Zijn oude koffiekan daarentegen wierp een schaduw met een zachte, diepe vanilletoon en een klein bitter randje dat bij sluitingstijd goed paste. Hij beweerde niet dat dit voor iedereen gold; het was tenslotte zijn lamp. De vrouw schoof haar eigen hand erboven. Haar schaduw viel op het bord, smaller dan ze had verwacht. Zij nam nog een hapje. Deze keer proefde ze een station, niet letterlijk de tegels of de remmen, maar het ogenblik vlak voordat iemand je tussen de reizigers herkent. Ze keek op. De uitbater was bezig een nat glas te drogen. Hij vroeg niets. Dat vond ze prettig. In de loop van de avond waren er al voldoende vragen geweest waarop een vrolijk antwoord leek te worden verwacht. Hier mocht een smaak even bestaan zonder direct te worden uitgelegd. Ze draaide het bord een kwartslag. De schaduw veranderde niet. Eenmaal geserveerd was de richting van het licht blijkbaar van minder belang dan de tijd die je ervoor nam.
Toen de tram bijna kwam, trok ze haar jas weer aan. Hij was aan de buitenkant nog vochtig, maar de voering voelde warm van de radiator. Op het bord lag een kleine rest schaduw. Ze vroeg of die weggegooid werd. De uitbater schudde zijn hoofd en schoof het bord onder de bar, waar het donker zich zonder moeite bij de omgeving aansloot. Weggooien was hier geen zinvolle handeling. Hooguit moest je oppassen dat er niet te veel schaduw op één plek werd bewaard, want dan kreeg de hele zaak die zware zoetheid van een kamer waar niemand meer wilde vertrekken. De vrouw betaalde haar koffie. Voor de schaduw stond niets op de rekening; die hoorde bij het licht dat hij toch al had laten branden. Bij de deur bleef ze even staan om haar sjaal goed te trekken. De uitbater zag haar in het raam weerspiegeld, tussen de regenstrepen en de lamp. Ze glimlachte niet speciaal naar hem. Ze had alleen even minder haast met haar gezicht. Daarna stapte ze naar buiten. Op de bar lag de schaduw van het lege kopje. Hij liet haar liggen tot hij zelf klaar was met afwassen.


Leave a Reply