Zodra je inziet dat het klassieke verstopwerk van bonbons – de doos achter het meel, de pralines tussen de theezakjes, het fluwelen zakje in de ondiepe bestekla – steeds weer faalt omdat hongerige familieleden niet werkelijk zoeken maar voorspellen (en voorspellen is het hardnekkige neefje van gewoonte), verschijnt de stoutmoedige doch overtuigende strategie van het verbergen in het volle zicht, waar de waarneming, beneveld door toegankelijkheid en verdoofd door routine, afziet van verdenking juist omdat het brein weigert te geloven dat iemand zó schaamteloos zijn schat zou etaleren en tóch behouden, waardoor de paradox ontstaat dat je bezit des te veiliger is naarmate het onbeschaamder geëtaleerd wordt.
Beschouw dan de neus, het vooruitgeschoven balkon van het gezicht, de kleine vlaggenmast waarop geuren landen en richting wordt gekozen; plaats een bonbon op het puntje en je krijgt een miniatuurtheater van cognitieve dissonantie, want iedereen ziet het object en toch ziet niemand het als prooi, mede omdat dezelfde etiquette die ons weerhoudt om kruimels van andermans lip te vegen ons ook verbiedt om met een corrigerend tikje de architectuur van iemands neus te hertekenen, zodat de clan, hongerig maar beschaafd, wel lacht, wijst en commentaar levert, doch de handen in toom houdt, terwijl jij, de tijdelijke tempelbewaarder van cacao, met fijn doserende hoofdbewegingen de zwaartekracht tart, de balans bewaakt en terloops je buit ventileert met een briesje van geur.
Maar het voorhoofd, die plechtige vlakte tussen de wenkbrauwen waar zinnen worden gefronst en plannen geboren, heeft eveneens zijn retoriek; schuif een praline precies daar en ze verheft zich tot talisman, een derde oog van chocolade dat, omdat het naar betekenis lijkt en niet naar voeding, door omstanders eerder wordt gelezen als grap, performance of ceremoniële badge dan als eetbaar bezit, zodat men eromheen praat, er selfies mee maakt, er interpretaties op projecteert – en intussen, o ironie, de eetfunctie vergeet – al is het precies deze verheffing tot symbool die ook nieuwsgierige vingers prikkelt, want tegen symbolen wordt geprikt, getest, betwijfeld, en hoe meer ernst het voorhoofd uitstraalt, hoe groter de lust om die ernst te ontregelen.
Toch gebiedt de fysica ons om koelbloedig te blijven: de huidtemperatuur ligt op het voorhoofd hoger dan op de neus, dieper in de motoriek van denken en zweet, waardoor de fragiele rand van een fijn gegoten ganache daar sneller bezwijkt, de bonbon geneigd is te verzakken, te glijden, te smelten, en – verraderlijker nog – een spoor van chocolade achterlaat dat niet alleen verraad pleegt maar ook schoonmaakdrift wekt, die op haar beurt handen activeert (en handen zijn, zoals ieder geheim weet, zijn natuurlijke vijanden); de neus daarentegen, koeler en puntig, biedt een kleiner contactvlak, minder smeltoppervlak, meer grip door microcorrecties, en fungeert zo als wipplank waarop massa en sierlijkheid elkaar in evenwicht houden.
Psychologisch werkt de neus bovendien als buffer, omdat een bonbon daar onmiddellijk de clown in ons losmaakt – de lach dempt het grijpreflex – terwijl hetzelfde object tussen de wenkbrauwen de professor in ons wekt, en tegen professoren wordt gerebelleerd, wat zich vertaalt in vingers die, onder het mom van ironie, eerder durven te tasten; voeg daarbij het sociaal-tactiele taboe om zonder toestemming iemands gezicht aan te raken, en je begrijpt hoe de neus, uitgerekend door zijn kwetsbaarheid, een beleefd hek rond je bezit trekt, terwijl het voorhoofd, juist door zijn ongenaakbare autoriteit, een uitnodiging tot schavottering kan worden.
Dan is er nog de tactiek van de schaamteloze overdaad: door de bonbon zo openlijk te dragen dat hij bijna een vlag wordt, dooft na korte tijd de jachtlust, want wat continu zichtbaar is, wordt decor, en decor eet je niet – je loopt eromheen; dit habitueringsvoordeel blijkt op de neus groter dan op het voorhoofd, omdat de neus voortdurend microbewegingen produceert die het rekwisiet levendig maar ongrijpbaar maken, terwijl het voorhoofd, statiger en vlakker, betekenis schreeuwt en daarmee aandacht zuigt, en aandacht is de zon waarin chocolade smelt en plannen verdampen.
Alles afwegende – temperatuur, textuur, zwaartekracht, etiquette, humor, symboliek en het subtiele spel van aandacht – maak ik de gedegen keuze voor het puntje van de neus als de veiligste verstopplek in het volle zicht: beweeglijk, koeler, sociaal onaanraakbaar en, dankzij zijn vrolijke onzinnigheid, precies die gordiaanse knoop waarin zien en bewaren samenvallen, waarna je, zodra de familie in een lachstuip oplost of zich even omdraait, met één sierlijk hoofdknikje de bonbon als een nederdalende ster in de mond laat landen, en het geheim, dat nooit geheim leek, triomfantelijk wordt geconsumeerd zonder dat iemand anders doorheeft dat de schat allang gevonden was.


Geef een reactie