Ik stond daar, in het midden van mijn eigen keukencircus. Niet het soort met confetti en applaus, maar een tragisch solo-optreden tussen kruimels, gestolde vetvlekken en stilgevallen apparaten. Eén hand omklemde de rand van een schaal die ooit het toneel was van een grandioze act: lasagna, drie lagen hoog, een spektakel van kaas en saus, een hoofdact op een doordeweekse avond. Nu? Een uitgeputte artiest na het doek. De restjes zaten vastgeplakt als onverkochte kaarten aan een kassa die al lang gesloten is.
Mijn blik dwaalde af naar het oppervlak. Niet om te controleren of de schaal in de vaatwasser kon — dat wist ik allang — maar omdat iets mij terugstaarde. Een vage reflectie, gevangen in het glanzende vet en uitgelopen tomatensporen. Geen helder spiegelbeeld, maar een abstract portret van iemand die te lang op het podium is blijven staan. Rode en witte vormen trokken in vlekken door de wazige glans, alsof de schmink nooit helemaal was afgegaan.
En daar stonden ze: mijn ogen. Twee lichtjes, ooit bedoeld om te lachen, nu half gedoofd. Alsof ze al te veel publieksblikken hebben moeten dragen. Mijn gezicht schemerde terug uit de diepte van de schaal als een clown na sluitingstijd — alleen is dat natuurlijk niet wat ik ben. Natuurlijk niet.
De keuken om mij heen was het decor: rommelig, verlaten, post-apocalyptisch in zijn alledaagsheid. Een leeg pak geraspte kaas, een pan waar iets kleverigs in zat dat ooit begon als saus en eindigde als abstractie, een theedoek in een tragische plons op de vloer. En ik, de enige toeschouwer van dit toneel vol stilstaande actie.
Met een zwier die ik nauwelijks nog bezat, schoof ik het onderste rek van de vaatwasser open. De schaal gleed op haar plek, alsof ze wist waar ze hoorde. Alsof ze nog geloofde in het reinigende ritueel dat op haar wachtte. En ik, met de waardigheid van iemand die net zijn laatste act heeft opgevoerd, opende het vakje voor het vaatwasblokje.
Leeg.
De doos — verdwenen. Geen glanzend blokje, geen belofte van herstel, geen sluitstuk voor deze tragikomedie. Alleen een leeg vakje. En stilte.
Mijn hand bleef hangen. Niet zozeer in verbazing, maar in overgave. Ik sloot het deurtje van de vaatwasser zachtjes, zoals men de gordijnen sluit na een mislukte première.
En daar stond ik.
Geen bloemen.
Geen buiging.
Alleen ik, een gezicht in vet, verdwijnend in het oppervlak van iets dat ik dacht te begrijpen.
Het was maar een schaal.
Maar het voelde als het einde van de show.


Geef een reactie