Telefoonboek.

Het telefoonboek van 1988 is een monument van vergeten literatuur. Een anoniem meesterwerk dat zich presenteert als niets meer dan een alfabetische opsomming van namen, nummers, straten en postcodes — maar wie echt durft te kijken, ontdekt een wrang en pijnlijk precieus verslag van het menselijk bestaan. Niet in de letters zelf, maar in de ruimte ertussen. Daar, in de stiltes tussen “Janssen, M.H.” en “Janssens, P.” woont een melancholie die zelden zo exact gecatalogiseerd is.

Het boek bevat tienduizenden personages, allen even oppervlakkig als universeel. De afwezigheid van beschrijvende context is geen beperking, maar juist de kracht van dit werk. Door niet te vertellen wie deze mensen zijn, worden we gedwongen onze eigen angsten, herinneringen en verlangens op hen te projecteren. Je leest: “Vermeer, T. – Witte de Withstraat 12 – 010 4213991”, en plots voel je je schuldig dat je T. Vermeer nooit hebt teruggebeld. Je vraagt je af of hij ooit verhuisd is. Of iemand dat nummer nog opneemt.

De thematiek van het verlangen naar eenzaamheid — én de paradoxale hunkering naar verbinding — wordt op meesterlijke wijze weergegeven in het format zelf. Elk individu staat op zichzelf, keurig omlijst door anderen, maar altijd afgescheiden. Dit is niet de chaotische nabijheid van een romanpersonage dat je leert kennen in dialogen of innerlijke monologen. Nee, dit is existentiële bureaucratie. Hier zijn wij, de mensen van 1988, gereduceerd tot bereikbaarheidsinformatie. Een collectieve schreeuw van “ik besta” in de vorm van cijfers.

En dan de tragiek van de gedeelde straat. Wanneer je ziet dat meerdere mensen op hetzelfde adres wonen, word je herinnerd aan de nabijheid van anderen — en toch weet je niets over hun relatie tot elkaar. Is “Bakker, H.” op nummer 14 de zoon van “Bakker, M.” op nummer 14A? Of slechts een wrange toevalligheid? Het zijn de ongeziene verbanden die dit boek transformeren van een gids naar een labyrint.

De compositie is verstikkend repetitief, en juist daarin schuilt zijn kracht. Als lezer word je langzaam murw geslagen door de onverbiddelijke structuur. Elk nieuw nummer voelt als een bel die rinkelt in een verlaten kamer. En juist omdat het nergens naartoe lijkt te gaan, voel je steeds sterker het absurde van het menselijk systeem. We zijn allemaal opgesomd, vindbaar, bereikbaar, en toch fundamenteel onbegrepen. Het telefoonboek is Kafka’s ‘Proces’ zonder plot, Camus’ ‘De Vreemdeling’ zonder moord.

Toegegeven, niet elk deel van het boek is even meeslepend. De sectie met bedrijven mist de persoonlijke tragiek van de particuliere gebruiker, al schuilt er iets treurig in een firma als “Schoonmaakbedrijf De Hoop BV” die genoteerd staat tussen “Schmidt, L.” en “Scholten, J.M.” — alsof hoop slechts een dienst is die men kan inhuren.

Al met al verdient Telefoonboek 1988 een stevige vier sterren. Geen meesterwerk in de traditionele zin, maar een uniek document dat zijn lezers dwingt tot reflectie. Over eenzaamheid. Over contact. Over de ondoorgrondelijke diepte van ‘wie belt wie, en waarom?’

Kortom: verplichte kost voor iedereen die zich afvraagt waar we waren, voordat we WhatsApp hadden.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder