In de verstilde alledaagsheid van de moderne woonwijk, waar de mens in zijn habitat gretig op zoek gaat naar betekenis in banaliteit, ontwaart zich een subliem natuurkundig fenomeen. Wanneer men het oog positioneert in perfecte nabijheid tot het vensterglas en de blik schiet als een lineaire vector richting de oninteressante buurvrouw, manifesteert zich een chemisch schouwspel dat slechts door de scherpzinnigste waarnemer gevat wordt. Want zie: er is niets. Geen moleculaire obstructie. Geen damp, geen gordijn, geen rimpeling van lucht. Slechts het oog, het raam en de buurvrouw — een heilige drie-eenheid in lineaire optische zuiverheid.
Het venster zelf, een amorf siliciumdioxide netwerk, is een wonder van de anorganische chemie. Glas, hoewel ogenschijnlijk solide, is op moleculair niveau een bevroren vloeistof, een traag bewegend amorf continuum waarin atomen in quasi-willekeurige structuur bestaan. Desondanks faalt het niet in zijn missie: transmissie. Licht, fotonen, de boodschappers van waarheid en tragiek, passeren ongehinderd door dit medium. Hun golfkarakter blijft behouden, hun frequenties slechts minimaal gebroken afhankelijk van de invalshoek — wat, als men dicht genoeg bij het raam staat, zo goed als nihil is. De rechtlijnigheid van de waarneming is perfect.
En daar, aan het eind van deze optische snelweg, staat zij. De buurvrouw. Noch wervelend noch enigmatisch. Een homogene verzameling cellen, haar DNA netjes opgeborgen in een nucleair membraan, routinematig RNA transcriberend tot eiwitten die haar bestaan ondersteunen in al zijn nietsigheid. Zij weet niet dat zij, in deze constellatie, het object is van een chemisch-poëtisch experiment. Haar vorm, gedefinieerd door de reflectie en absorptie van fotonen, bereikt het netvlies van de observator zonder noemenswaardige interferentie. Een moleculaire dans van onverschilligheid.
De lucht tussen oog en raam: stil. De ruimte tussen raam en buurvrouw: rustig, wellicht gevuld met diatomisch stikstof, zuurstof, en af en toe een verdwaalde koolstofdioxide. Deze moleculen, klein en inert, ondergaan geen drastische interactie met het licht. De fotonen snellen voorbij, als gedreven door de zinloosheid van hun missie, en botsen op het enige dat wel betekenis zoekt: de retina van de kijker. Daar, in die neurologische interface van chemie en interpretatie, ontstaat beeld. En wellicht verwarring. Waarom kijkt men? Wat hoopt men te vinden?
Misschien niets. En precies dat is het sublieme. In de afwezigheid van obstructie — fysiek en existentieel — ontstaat een perfecte projectie van realiteit. Een herinnering dat de leegte tussen oog en object soms betekenisvoller is dan het object zelf. En zo werpt de scheikunde van het kijken, met haar moleculaire nederigheid, een licht op de tragiek van het menselijk bestaan.
Zij kijkt niet terug.


Geef een reactie