Pers.

De roze citruspers, dat triviale keukenvoorwerp, vormgegeven in een kleur die wellicht meer verwijst naar marketing dan naar functie, geurt nog na van pulp en zurigheid—een mechanisch altaar waarop sinaasappels, grapefruit en zelfs de occasionele limoen hun interne essentie afstaan onder druk van menselijke hand, terwijl hun vezels en zuren zich over de randen storten als een zuurbad dat langzaam het plastic aantast—en hier, juist hier, begint onze dwaaltocht naar een zogenaamd verband, een hypothese van zinnige verbondenheid, met de tragische figuur van een mens, wiens huid op onnatuurlijke wijze bruin gloeit, alsof het leven zelf door een UV-lamp is gestreeld tot het onherroepelijk verdampt, als een vergeten mot in een lichtbak.

Chemisch gezien—wat al een krakkemikkig bruggetje suggereert—draagt zowel de citruspers als de zonnebankgebruiker het stempel van oxidatie: de één in de vorm van ascorbinezuur, het vitamine C dat bij blootstelling aan lucht (en dus aan tijd) langzaam degradeert tot een zinloze substantie, de ander als levend organisme dat zijn melanineproductie overstuurt in een wanhopige poging om nog een schijn van vitaliteit te behouden terwijl de UV-straling onzichtbare, celdelende schade aanricht in het weefsel, onvermijdelijk, meedogenloos, als de belofte van veroudering die plots in zonnebanklicht vorm krijgt—en zo zouden we kunnen zeggen, met grote intellectuele onoprechtheid, dat beiden gebukt gaan onder eenzelfde thermodynamische entropie, die grote universele wetmatigheid die zegt: alles dat leeft of beweegt, vervalt.

Filosofisch—als we dat woord nog durven hanteren in tijden van influencers en supplementen—is de citruspers een werktuig van extractie, een metonymie van de moderne mens, die zonder oog voor het innerlijk louter functioneert om iets uit de ander te trekken: sap, energie, kleur; terwijl de zonnebankgebruiker zich vrijwillig laat dichtschroeien in een ironisch ritueel van zelfverbetering dat resulteert in afbraak; als narcissus in een zonnecentrum, verslaafd aan zijn spiegelbeeld, verbruinend in slow motion, als een moreel failliete sinaasappel, die nog denkt dat glanzen hetzelfde is als bloeien.

Apocalyptisch dan—donker als een aarde zonder ozonlaag, overspoeld door ultraviolette straling die mutaties veroorzaakt bij de laatste restanten van een ooit arrogant, citruspers-bezittend volk—kunnen we ons voorstellen dat de citruspers, lang nadat de mensheid verdwenen is, nog ergens in een keukenkastje ligt, nutteloos, roze verkleurd tot een spookachtige beige tint, terwijl de zonnebank zelf doorgebrand is tot een sarcofaag van plastic en verwrongen metaal, en ergens, als een metafysisch grapje, een verdroogde huid met het patroon van zonnebrilrandjes ligt te vergaan tot stof. Niets wat ooit een betekenis had, blijft intact—behalve misschien de geur van citrus, die onverklaarbaar blijft hangen.

En toch—of juist daarom—moeten we tot de conclusie komen, met tegenzin maar ook opluchting, dat er geen echte onderlinge verbinding bestaat tussen de roze citruspers en de zonnebankverslaafde, behalve dan dat ze zich toevallig in dezelfde nachtmerrie van moderne trivialiteiten bevinden. Ze zijn als passerende gedachten in het hoofd van een verveelde god: verwant door het feit dat ze bestaan, maar onverenigbaar in essentie. Zoals alles eigenlijk.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder