Oversteken.

Een ijzige wind strijkt over de verlaten asfaltvlakte van de snelweg, terwijl de nacht met haar inktzwarte deken alles in duisternis hult. Het is exact 03:00 uur, en de gebruikelijke kakofonie van motoren is gereduceerd tot het sporadische gesmoel van passerende voertuigen. Midden in dit verstilde stijllandschap sluipt een ongedefinieerd knaagdier — noch mol, noch rat, maar iets ertussenin — behoedzaam van de berm naar het midden van de rijbaan.

Beeld je in hoe het dier zijn voorpootjes optilt, voelen als zachte kussentjes tegen het koele asfalt. Elk contactpunt wordt vertraagd alsof de tijd zelf is bevroren. De snuit, kort en stomp, trilt bij elke ademhaling en ruikt de koude geur van verbrande remmen en natte bladeren. De ogen glanzen spiedend, donker en ondoorgrondelijk, terwijl de koplampen van een naderende auto als zoeklichten over zijn rug glijden.

In deze slow‑motion voorbijgang van een levende schim ontvouwt zich een grauw ballet. De ribbels van het wegdek zijn voelbaar onder de poten, en elke spierzet van het beestje lijkt een afgemeten overlevingsoefening. De hemel boven strekt zich uit als een massief, onpeilbaar doek waarin slechts het knipperende rode licht van remlichten smaadschaduwen werpt.

Onder de flits van koplampen weerkaatst de ruwe vacht op het asphalt, één moment bevroren in een gouden flard licht, het volgende weer opgeslokt door schaduw. Dit wezen is geen speels kreupeltje maar een farouche overlevingskunstenaar, gedreven door instinct en een onverzettelijke wil om de andere kant te bereiken. Zijn hartslag stampt ritmisch tegen het borstbeen, samensmeltend met de gierende banden van een vrachtwagen die met donderend geraas passeert.

Tijd vervaagt terwijl het knaagdier de tweede rijstrook nadert. De witte strepen van de snelweg vormen één voor één een dreigend raster. Met een laatste, geforceerde wurggreep van spieren duwt hij zich voort. Elk moment rekent hij af met gevaar: de brom van motoren, de flitsende lichten, het gladde karakter van beton – alles tegelijk een bedreiging en een podium.

Als hij eindelijk de overkant bereikt, werpt hij een blik achter zich, alsof hij het proces zelf wil verzwaren met herinnering. Daar, onder het schijnsel van een stilstaande lantaarnpaal, glijdt het knaagdier de berm in en verdwijnt in de nacht, spoorloos en ongrijpbaar. De snelweg herneemt haar monotone ademhaling; slechts een vage echo van geritsel blijft achter als bewijs dat hier zojuist iets door de tijd bewoog.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder