Er zijn van die ochtenden — en het is altijd ochtend, alsof het bestaan zich weigert verder te ontwikkelen dan de eerste fase van bewustzijn, waarin de zon laag hangt boven de identieke daklijnen van huizen die ooit met oprechte hoop werden gekocht — waarop ik, gewapend met een herbruikbare koffiebeker en een sluimerende existentiële kramp, de wijk in loop zonder duidelijk doel, behalve misschien het subliem vage verlangen naar een glimp van iets dat betekenis zou kunnen hebben, als het zich tenminste zou durven tonen tussen de keurig gerangschikte stoeptegels en de geijkte kleurenschema’s van voordeuren waarachter mensen wonen die ik groet maar nooit ken.
En terwijl mijn voeten zich als vanzelf verplaatsen — van speeltuin naar hondenveldje naar de plek waar ooit een boom stond tot hij ‘ziek’ werd verklaard door een ambtenaar met een clipboard en sindsdien vervangen is door een paaltje dat iets moet voorstellen maar niets meer zegt — ontspruit in mijn hoofd een zin die zich blijft splitsen, uitbreiden, vertakken, net als de zijstraten hier, die allemaal eindigen in dezelfde doodlopende geruststelling dat verdwalen slechts tijdelijk is als alles ontworpen is om je terug te leiden naar jezelf, al weet je op den duur niet meer of je dat zelf nog wel bent.
Want hoe kun je jezelf blijven noemen in een omgeving waarin zelfs de lucht — licht vervuild maar stabiel — lijkt te zijn gecureerd voor maximale neutraliteit? Waarin de gesprekken, opgevangen tussen halfopen ramen, bestaan uit het doornemen van weerapps, weekmenu’s en het wederzijds bevestigen van de verzengende middelmatigheid die we eufemistisch ‘rust’ noemen?
En toch, in die middelmatigheid, die eindeloze zee van driewielers, regentonnen, en LED-verlichting met bewegingssensoren, schuilt iets wat verdacht veel lijkt op het soort troost dat gevaarlijk is omdat het niet schreeuwt maar fluistert: blijf maar, alles is hier, alles is geregeld, je hoeft niets te begrijpen want alles is al besloten.
En zo wandel ik verder — voorbij de brievenbus waar alleen nog reclamefolders thuishoren, de voortuin die elke week met chirurgische precisie wordt onkruidvrij gehouden, de buurman die zijn auto wast alsof hij daarmee zijn ziel afspoelt — en ik voel hoe de wijk, deze zorgvuldig opgetrokken werkelijkheid, zich langzaam maar zeker vermomt als antwoord, terwijl het in feite alleen maar een steeds slimmer geworden versie is van de vraag: is dit het nou?
Misschien is het dat wel. Misschien is het juist in deze herhaling, deze gladgestreken normaliteit, dat we het dichtst komen bij een vorm van verlichting: een stil besef dat we bestaan, dat we wéér bestaan, dat we zelfs morgen weer zullen bestaan — en dat dát op zichzelf al krankzinnig genoeg is om er een extra kop koffie op te nemen.
Of niet. Misschien ook niet. Misschien is het allemaal gewoon een Vinex-wijk.


Geef een reactie