Het moment waarop je voet de opstap van de bus raakt en je plotseling tot het wrange besef komt dat je je ov-kaart bent vergeten, kan worden ontleed tot een chemisch miniatuurdraaikolk van stresshormonen: de plotselinge afgifte van adrenaline, een verhoging van de hartslag, en een korte maar intense piek van cortisol die je lichaam voorbereidt op een reflex van handelen of berusting. Dit kleine, biochemische orkest van onmacht herinnert eraan dat het menselijke bestaan voortdurend wordt onderbroken door kleine, vergeten schakels in de keten van het dagelijks functioneren. Een gebeurtenis die op zichzelf triviaal lijkt, maar zich uitbreidt als een golfslag van ongemak die alle omliggende gedachten overspoelt.
Tegenover dit plotselinge innerlijke tumult staat het plastic kratje met komkommers in de supermarkt, onaangedaan door tijd of drama, niets meer dan een verzameling gestandaardiseerde, groene cilinders, gerangschikt in een geometrische precisie binnen hun kunststof omhulsel. Elk exemplaar bevat een gecontroleerde hoeveelheid water en cellulose, gevat in een beschermende, wasachtige huid, geperfectioneerd door telers en distributiecentra om een uiterlijke uniformiteit te bewerkstelligen die het oog geruststelt. De komkommers liggen daar, zonder verhaal, zonder herinnering, als objecten van nuttigheid, gevangenen van logistiek en economie. Het kratje zelf, chemisch gevormd uit polymeren, kent geen haast en geen tekort aan functie; het is enkel de drager, een stille ondersteunende speler in een decor dat zich eindeloos herhaalt.
Kunstzinnig bezien zouden we deze twee werelden kunnen zien als symbolen van onze verhouding tot orde en willekeur: aan de ene kant de plotselinge schok van persoonlijke onmacht, gevat in het vergeten van een essentieel stukje plastic, en aan de andere kant de strakke rijen van komkommers, een schijnbaar vastgelegde rust, waarin vorm en functie zodanig versmelten dat ze het oog nauwelijks langer dan een fractie van een seconde boeien. De situatie van de bus lijkt een impressie uit een expressionistisch schilderij waarin felle kleuren botsen en uitlopen in een chaos van beweging, terwijl het kratje met komkommers zich presenteert als een stilleven, onaangedaan en kalm, waar het perspectief nauwelijks lijkt te bestaan en de tijd stil staat.
Maar als we proberen een lijn van betekenis te trekken tussen deze werelden, raken we verstrikt in de apathie van het besef dat er niets is om te verbinden behalve het bestaan van beide als onderdelen van een leven vol onvoorspelbare momenten en absurde patronen. Het ov-kaartloze moment is een abrupt defect in het mechanisme van je dag, terwijl het kratje met komkommers functioneert als een bijna onwrikbaar anker van alledaagsheid. Waar het eerste je plotseling uit je gedachten rukt, biedt het tweede een emotieloze herinnering aan de zinloze herhaling van consumptie.
De conclusie is onontkoombaar: er is geen fundamentele verbinding tussen het vergeten van een ov-kaart en een krat met komkommers, behalve misschien de menselijke drang om een verhaal te vinden in alles wat wij ervaren. Dit verhaal faalt echter hier glorieus, als een brug van gedachten die halverwege instort omdat hij nergens naartoe leidt.


Geef een reactie