Elke badkamer, hoe eenvoudig of luxueus ook, lijkt onlosmakelijk verbonden te zijn met de aanwezigheid van een haardroger, dat trouwe apparaat dat, onder haar beheer, de taak vervult om het haar in model te brengen, te temmen en te drogen, zodat zij met zorg gestileerd en vol zelfvertrouwen de dag tegemoet kan treden. Dit alledaagse ritueel, waarbij de haardroger in haar hand een bijna vanzelfsprekende verlenging van haar eigen controle over het chaotische kapsel lijkt te worden, is een vast onderdeel van haar ochtendroutine, alsof het apparaat speciaal voor haar en haar alleen ontworpen is, een intieme bondgenoot in het dagelijks gevecht tegen pluizige lokken en vochtige haren.
Maar in diezelfde badkamer, naast de vertrouwde haardroger, die het domein van haar overduidelijk beheerst, rijst de filosofische vraag: als zij haar haardroger heeft, waar bevindt zich dan zijn droger, de zijndroger? Want waar haar haardroger gericht is op het externe, op het fysieke en zichtbare, op de oppervlakte van haar voorkomen, zou de zijndroger zich moeten richten op iets diepers, iets wat niet in de spiegel te zien is maar wat hij — net zoals zij haar haar — moet verzorgen, namelijk zijn zijn. Het is bijna vanzelfsprekend dat, waar zij de zorg over het haar heeft toevertrouwd aan haar trouwe haardroger, hij behoefte heeft aan een evenwichtige tegenhanger, een droger die zijn existentiële kwellingen weet te bedwingen.
De zijndroger, in tegenstelling tot de haardroger, heeft geen vorm of fysiek bestaan. Hij hangt niet in het badkamerkastje, hij ligt niet naast de kam of de borstel, maar hij bestaat in de ruimte van het ongrijpbare, het abstracte. De zijndroger is het apparaat dat hij nodig heeft op die momenten van introspectie, wanneer het gewicht van zijn bestaan, zijn keuzes, en de complexiteit van het leven te veel wordt om simpelweg te negeren. Terwijl zij haar haardroger aanzet om haar haar te drogen en te ordenen, zoekt hij naar iets dat zijn innerlijke wereld ordent, iets dat de chaos van zijn gedachten, twijfels en existentiële vragen droog blaast, zodat hij, net zoals zij met haar perfect gestylde lokken, de wereld vol vertrouwen tegemoet kan treden.
En terwijl de haardroger met zijn warme, gerichte luchtstromen haar haar omvormt en gladstrijkt, zo verlicht en kalmeert de zijndroger de verwarring van zijn zijn. Het is alsof deze onzichtbare droger zijn zintuigen opnieuw instelt, hem helpt zijn plaats in de wereld weer te begrijpen, hem behoedt voor de valkuilen van onrust en twijfel. De haardroger geeft haar een tastbaar resultaat: glad, perfect gevormd haar dat haar gereed maakt voor de dag. Maar de zijndroger, onzichtbaar als hij is, geeft hem iets diepers — een moment van rust, van helderheid, van besef dat alles, al is het maar tijdelijk, in orde is met zijn zijn.
De tegenstelling tussen de haardroger en de zijndroger, tussen haar en hem, benadrukt niet alleen de rolverdeling tussen het fysieke en het metafysische, maar ook hoe de behoeften van beiden verschillen en toch vervuld moeten worden. Zij heeft haar haardroger om haar te helpen zichzelf te presenteren aan de wereld, terwijl hij zijn zijndroger nodig heeft om zich voor te bereiden op de wereld van binnenuit, om de fragmenten van zijn bestaan te reorganiseren, op te frissen en weer bij elkaar te brengen.
Zo heeft zij haar haardroger, en hij zijn zijndroger — twee schijnbaar onvergelijkbare apparaten, elk met hun eigen essentiële functie. Waar zij de controle over haar uiterlijk hervindt door de warme luchtstroom van de haardroger, vindt hij zijn innerlijke rust en zelfbewustzijn in de ongrijpbare werking van de zijndroger, die, ondanks dat hij nooit fysiek aanwezig is, onmisbaar blijkt te zijn in het dagelijkse ritueel van hun beider bestaan.


Geef een reactie