De mensheid heeft zich lang gebogen over de grote vragen des levens: is het glas halfvol of halfleeg? Wat is onze plaats in het universum? En belangrijker nog: wat bezielt iemand om over een zebrapad te lopen dat over een fietspad ligt, zonder stoplichten, zonder waarschuwingen, met niets anders dan wat witte strepen en een blind vertrouwen in de goedheid van de mens? Het idee dat het glas “altijd vol” is—de helft met water, de helft met lucht—is een poging om de beperkingen van onze waarneming te overstijgen. Wat we niet zien, telt ook mee. En zo bekeken wordt ook het zebrapad meer dan een verkeersvoorziening. Het wordt een metafoor. Een paradoxaal spanningsveld tussen orde en chaos, hoop en dreiging, burgerlijk vertrouwen en roekeloze fietser-anarchie. Het zebrapad op een fietspad lijkt leeg. Geen lichten. Geen knipperende signalen. Geen expliciete aanwijzingen dat de voetganger hier prioriteit heeft, behalve wat witte strepen die inmiddels vervagen door jaren van regen en bandensporen. Net als het halflege glas lijkt dit pad vooral op een poging die niet helemaal is afgemaakt. Maar wat we niet zien, is belangrijker dan wat we zien.
