Hij heet Bruno. Bruno de Filter. Een naam die hij zichzelf heeft gegeven, omdat niemand anders het zou doen. Hij is gemaakt van papier – dun, wit, poreus papier – geboren in een anonieme fabriek waar dromen sterven en de geur van versgemalen bonen alleen een gerucht is. Hij werd niet uitgekozen, hij werd gepakt. Hij zat in een doos met zijn broeders, zwijgend tegen elkaar aangedrukt, elke dag biddend dat hun beurt nog niet kwam. Maar de dag kwam. De hand reikte naar hem. Bruno. Eerst was er hoop. De zachte aanraking van een menselijke hand gaf hem het valse gevoel van betekenis. Zijn vouwen werden ontvouwd met een zekere tederheid. Hij werd in de filterhouder geplaatst, bijna ritueel, als een priester die zich voorbereidt op het heilige. En dan de koffie – het heilige goedje, de zwarte substantie die leven schenkt. Hij voelde zich belangrijk. Nuttig. Onmisbaar. Zijn wanden omhelsden de gemalen bonen als een moeder haar kind. Hij voelde warmte. Belofte. Toekomst. Tot het water kwam.
