Stel je voor dat je, niet in een gewoon bed, maar in een langzaam ronddraaiende kamer slaapt, waarin de muren zacht meebuigen als je ademhaling zich verdiept en waarin het plafond niet ophoudt aan de bovenkant, maar zich uitstrekt tot in een oneindige schemering waar sterren soms naar beneden vallen als verdwaalde druppels water – en daar lig jij, volledig gekleed, alsof je elk moment door een onbekend bevel uit je dromen kan worden opgeroepen om in een onbekend landschap te verschijnen waar je zonder dralen moet handelen. Het voordeel van slapen met je kleren aan, zo fluisteren de spiegels die in deze kamer langzaam langs je bed schuiven, is niet slechts de alledaagse tijdsbesparing die stervelingen kennen, maar het voorbereid zijn op het onverwachte, op het moment dat een deur zich opent naar een straat die nooit in je stad heeft bestaan, maar waar je toch dringend aanwezig moet zijn – en je al gekleed, warm en onaangedaan naar buiten stapt.
