Aanraken.

Het begint als een lichte rimpeling, een haast ongrijpbare verschuiving in het gevoel waarmee ik mijn eigen huid lees. Een fluistering van binnenuit. Mijn neus – dat vertrouwde middelpunt van mijn gezicht – lijkt plots te krimpen, alsof hij zich terugtrekt in een dieper gebied waar aanraking minder zeker is. Het is niet dat hij fysiek verdwijnt; het is eerder een verplaatsing van betekenis. Een orgaan dat ooit vanzelfsprekend aanwezig was, wordt nu een vraagteken dat zich onder mijn vingerkransen verbergt. Elke keer dat ik hem aanraakte, dacht ik een vorm te bevestigen. Ik dacht dat tast een waarheid was, een soort ritueel van bevestiging. Maar hoe vaker mijn vingertoppen die huid verkenden, hoe meer het leek alsof mijn neus een eigen wil had, een interne beweging die zich onttrok aan meting en verwachting. De aanraking zelf werd vloeibaar. Wat eerst stevig voelde, werd zacht; wat eerst bekend was, werd vreemd. Alsof de ruimte tussen mijn vingers en mijn gezicht zich vulde met de echo van eerdere aanrakingen, die nu als schaduwen rondzweefden.

Gaten.

Verkeersdepressies. Wegkuilen. Putten in het asfalt. In de moderne samenleving worden deze natuurlijke imperfecties gezien als een probleem dat opgelost moet worden. We vullen ze op, egaliseren ze, en maken wegen zo glad en comfortabel mogelijk. Maar stel je voor dat we het tegenovergestelde zouden doen: in plaats van deze gaten te dichten, maken we ze juist dieper. Wat klinkt als een radicaal en misschien zelfs absurd idee, zou weleens een revolutionaire stap kunnen zijn in de evolutie van de mensheid én het universum.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands