Bij iedere stap legde hij de helft van de resterende afstand naar de keuken af. Daarna moest hij een seconde wachten. De stappen werden kleiner, de seconden niet. De ketel zong. Vlak voor de drempel ging hij zitten. Volgens zijn knie was de vloer koud; volgens de gang was hij nog steeds onderweg. De stoom trok zonder moeite naar hem toe. Hij zette een bereikbaar kopje in haar baan. Onderaan lag nog een theezakje van gisteren. Langzaam verzamelde zich water. Het duurde lang en de thee smaakte nergens bijzonder naar, maar uiteindelijk kon hij drinken. De drempel bleef onbereikbaar. Hij zette het kopje naast zich. Moest hij nog aankomen als de thee hem inmiddels had gevonden?
