Jas.

Je loopt over straat, een stroom van stappen, blikken en adem. De stad ratelt, bussen ademen diesel, iemand lacht te hard aan de overkant. En dan, heel even, ontstaat er een smalle corridor tussen jou en een onbekende. Jullie paden kruisen, de lucht is koel, en precies op dat drempelmoment mompel je: “Ik ga mijn jas aantrekken.” Zacht genoeg voor één oor, niet voor de straat. Geen mededeling aan de wereld, maar een sleutel die slechts in dit ene slot past. Wat is de essentie van zo’n zin? Niet de jas, niet de kou. Het is een gebaar van zorgvuldig georkestreerde nabijheid – een oase van exclusieve betekenis in de woestijn van publieke ruimte. Door te mompelen definieer je een intieme straal waarin woorden gewicht krijgen. Het bericht is banaal en daardoor betrouwbaar. Het zegt: hier gebeurt niets groots, en juist daarom mag je me geloven. De banaliteit is de drager van intentie.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands