In de schaduw van beton en pasjessystemen, waar het menselijk verkeer gestroomlijnd wordt door technologie zonder poëzie, staat de slagboom van de parkeergarage—een wit-rode grenswachter, meedogenloos en gezagsgetrouw. Men zou geneigd zijn te stellen dat de mens hier onderworpen is aan het dictaat van de machine, aan de onwrikbare logica van betaling en protocol. En toch—te midden van deze technocratische banaliteit—duikt zij op als een lichtstraal in een regenplas: de naïeve hoop.
