Er staat een wit object, ooit bedoeld om op te zitten, nu verwrongen tot een vorm zonder ambitie. Het zou een campingstoel kunnen zijn geweest, als dat woord nog enige betekenis had in een wereld waar zitten, kamperen, of ontspannen concepten zijn die enkel bestaan in overwoekerde folderteksten uit lang verdwenen tijden. De stoel is niet ingestort, want zelfs dat zou een actie zijn. Nee, hij blijft gewoon… bestaan. Een standvastig symbool van het volhardende niets. Hij staat op een steiger die geen functie meer heeft, boven wat ooit een meer was maar nu vooral een verzameling scheuren in de aarde is. Water is hier al eeuwen verdampt, verdwaald of beledigd vertrokken. Wat overblijft is moddersteen met de textuur van vergeten vakantiefoto’s: droog, korrelig, en niemand weet nog wie erop stond. Naast de stoel staat een bierkrat. Leeg. Al lang leeg. Zó leeg dat het bijna actief lijkt, als een statement. Het krat kijkt zogenaamd terug naar de stoel, niet vanuit betrokkenheid, maar simpelweg omdat het daar ooit neergezet is en daarna is alles gestopt. Er is geen betekenis, geen bedoeling, en zelfs geen mislukte poging daartoe. Alleen deze situatie: een dialoog tussen twee objecten zonder stem, die niets te zeggen hebben, maar toch eeuwenlang met elkaar opgescheept zijn.
