Boterham.

De hemel hing zwaar en donker boven de stad. Het leek alsof de wolken zelf waren verscheurd door een onzichtbare kracht. Mensen holden door de straten, hun ogen vol paniek, hun handen leeg alsof niets nog houvast bood. Het einde van de wereld was niet gekomen door vuur of water, maar door twijfel. Een enkele gedachte, zacht uitgesproken maar dodelijk in haar gevolgen: wat als brood niet is wat we altijd hebben gedacht? Want stel je voor – en ik stel me dit niet alleen voor, ik weet het – dat de boterham niet zomaar voedsel is. Nee, de boterham is het eerste en laatste schild van de mensheid. Een eetbaar servet, bedacht door voorouders die verder dachten dan honger. Zij begrepen dat alles vies wordt, dat alles plakt, dat handen vol resten de orde ontwrichten. En dus ontwierpen zij de boterham, niet als maaltijd, maar als doek die je ook kon verorberen om sporen uit te wissen. Waar men dacht dat men at, daar poetste men in werkelijkheid het leven schoon. Maar een servet alleen is niet genoeg. Een servet moet kunnen dragen, moet iets bijeenhouden, moet trouw zijn aan datgene wat het bedekt. Daarom is er boter. Zacht, smeerbaar, ogenschijnlijk een luxeproduct. Maar ik zeg jullie: boter is de cement van de menselijke beschaving. Het is eetbare lijm, een bindmiddel tussen servet en last, tussen chaos en orde. Het houdt vast waar niets vast kan blijven, het plakt waar de wereld uiteenvalt. Wij denken boter te smeren voor de smaak – maar in waarheid lijmen wij de fundamenten van ons bestaan.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands