KANT I – DE BOSJES (HET BEGIN) Het wiel ligt niet trots. Het ligt zoals dingen liggen die geen plan meer hebben. Half in de bosjes, half erbuiten, alsof het nog twijfelde aan welke kant van de nacht het hoorde. De bladeren zijn nat van de motregen. Niet doorweekt, niet schoon. Gewoon vochtig genoeg om alles zwaarder te maken dan nodig. Het rubber glanst zwak in het schaarse licht. Zwart blijft zwart, zelfs als de wereld probeert het te verzachten. Het profiel zit vol kleine steentjes, vastgehouden zonder belofte. Dit wiel heeft afstand gekend. Snelheid. Warmte. Nu kent het alleen nog kou die langzaam naar binnen trekt.
