Een seconde.

Het gebeurde in een seconde, een onbeduidende tik van zijn vingertop tegen het dunne, zijdezachte lintje. Een misstap, een fractie van een seconde waarin zijn grip verslapte. En toen steeg de rode ballon op, langzaam eerst, als een droom die zich uitrekt in een sluimering van hoop, en toen sneller, onverbiddelijk, hoger dan zijn uitgestrekte hand ooit zou kunnen reiken. Zijn mond hing open in een geluidloze kreet, zijn ogen waren twee wijd opengesperde poelen van verbijstering. Het lint wapperde nog even, alsof het hem uitdaagde, hem belachelijk maakte. En in zijn borst groeide iets dat hij niet kende – een gapend gat van verlies, van onbegrip, van verlatenheid. Alsof een stuk van zijn binnenwereld, iets roods en lichts, werd afgescheurd en weggedragen door iets groters dan hijzelf. Mensen liepen langs, hun schouders opgehaald, hun blikken vlak, ongevoelig voor het wereldrampenformaat dat zich voltrok in zijn jonge universum. Ze zagen een jongetje, stilstaand, stijf, starend naar boven alsof hij zojuist getuige was geweest van een buitenaards onrecht. Maar in zijn hoofd donderden de klokken van verraad. Dat was zijn ballon. Zijn. Hij had hem uitgekozen. Hij had hem een naam gegeven. En nu liet het leven zien hoe willekeurig het alles afneemt.

Omhoog ↑

nl_NLNederlands