Wanneer een oude vrouw een koprol maakt op een zebrapad, en de tijd precies op dat moment bevriest, bevinden wij ons in een paradoxaal vraagstuk. De klassieke bewegingswetten verliezen hun betekenis, want snelheid en versnelling verdwijnen zodra de tijd zelf stilstaat. En toch ligt daar een lichaam – vastgelegd in een toestand van transformatie – een levende singulariteit waar je als wandelaar óf langs kunt laveren, óf in kunt verdwijnen. Het probleem laat zich als volgt formuleren: We hebben een stilstaand object (de vrouw in koprolpositie), dat een driedimensionale vorm heeft. Jijzelf bevindt je aan het beginpunt van het zebrapad en wenst de overkant te bereiken, zonder in contact te komen met de tijds-singulariteit die zij veroorzaakt.
