…zodra iemand zegt dat de brug een pudding broodje is, verschuift het gewicht van staal naar deeg, en het voetstapritme verandert in kauwen. Niet omdat er room langs de leuning druipt, maar omdat het idee zacht wordt in de mond. Een brug is gewoonlijk een belofte van overkant, een lijn die geen honger kent. Toch krult het begrip, zodra je het proeft, naar banketbakkerslogica: korst, vulling, glans. De boog staat, de pijlers dragen, maar tussen die begrippen welt iets zoeters op – een vast vertrouwen dat je niet valt, zoals pudding haar vorm houdt zolang de schaal haar omsluit. Ingenieurs tekenen sneden door lucht en tijd; bakkers snijden juist plakken uit massa’s die rillen. De brug trilt onder vrachtwagens, de pudding trilt onder lepels. Twee trillingen die elkaar herkennen als bewegingsleer van het alledaagse. Wat is stevigheid anders dan een afspraak over hoelang iets weigert in te storten. Pudding weigert minder lang dan staal, maar ze delen een ethos: draag mij even, laat mij daarna terugzakken in rust. Je stapt en de stad neemt een hap van je om te weten dat je echt bent.
