Ik lig hier – breed en helder, wit als een uitroepteken dat de stad heeft neergelegd op haar donkere huid. De straat onder mij is oud, vol littekens van banden en regen, maar ik ben jonger, frisser, als een symbool dat de mensen overzet van het ene koninkrijk naar het andere. Ik ben niet zomaar verf. Ik ben grens en belofte, een poortwachter van overtocht. Vanuit mijn vlakke lichaam kijk ik omhoog. Daar, voorbij het rollen van banden en het ruisen van haastige voetstappen, is de hemel – een ongeduldig blauw dat in plassen weerkaatst en soms doorbroken wordt door storm. Ik weet dat ik deel uitmaak van een groter patroon. Links en rechts voel ik de aanwezigheid van mijn broeders en zusters, andere strepen, allemaal even rechthoekig en rechtlijnig. Toch ervaar ik hun aanwezigheid niet volledig. Ik ben mijzelf, een enkele toon in een akkoord dat door de stad klinkt. En dat maakt mij groots
