Je stopt een vinger in je oor en de wereld wordt niet stil, maar dof, afgelegen, alsof alles ineens plaatsvindt in een kamer verderop, achter een muur van huid en wilskracht. Wat overblijft is je eigen binnenwereld: het zachte suizen van bloed, het kleine ondergrondse rumoer van een lichaam dat nooit ophoudt zichzelf te bewonen. Het voelt als beschutting, als een armzalig maar doeltreffend verzet tegen de overmacht van buiten. Maar zodra je je vinger weer weghaalt, gebeurt het wonderlijke en wrede: al het geluid dat even buitengesloten leek, stort zich tegelijk naar binnen. Niet één stem, niet één tik, maar een hele menigte van klanken, opgehoopt aan de rand van die kleine opening. Alsof de wereld daar stond te wachten. In dat ene overspoelende moment schuilt iets groters: zo komen ook gevoelens terug. Wat je tegenhoudt, verdwijnt niet. Het verzamelt zich. En wanneer je weer opent, keert alles terug – tegelijk, fel, levend.
