De koude lucht in de blauwe, betegelde ruimte leek bijna tastbaar. Het licht van de TL-lampen reflecteerde op de natte vloer en maakte de ruimte nog sterieler, bijna kil. De sfeer was gespannen, alsof de kamer het gewicht droeg van een gebeurtenis die net had plaatsgevonden, iets wat niet meteen te begrijpen was maar ontegenzeggelijk belangrijk voelde. In het midden van de kamer stond een stevige, roestvrijstalen tafel. Daarop rustte een glazen bak, gevuld met helder water. In dat water, precies in het midden, zweefde een geel schoudertasje. Het was duidelijk geen alledaags accessoire: het was verfijnd, afgewerkt met gouden stiksels en bezaaid met kleine glinsterende diamantjes. Het leek haast onwerkelijk, bijna alsof het een pronkstuk in een kunstgalerij was. Aan weerszijden van de tafel stonden een man en een vrouw. Beiden waren gekleed in keurige kantooroutfits, hun natte haren en doorweekte kleding plakten aan hun lichamen. Ze leken onaangedaan door hun doorweekte toestand en staarden vastberaden naar het tasje in de bak. Hun blikken, geconcentreerd en intens, vertelden een verhaal van verbijstering en focus. Ze bewogen niet, alsof ze bevroren waren in de tijd, gevangen in een moment dat hen volledig had overrompeld.
