Het geluksmoment van een kuipje smeerboter dat voor het eerst geopend wordt, is als een stille maar onmiskenbare viering van het nieuwe, een zachte triomf die zich voltrekt in het ogenschijnlijk alledaagse. Daar, diep verscholen onder het haast ondoordringbare deksel, ligt het kuipje dagen, weken of misschien zelfs maanden in een koele, stille koelkast te wachten, omhuld door de kille duisternis van zijn omgeving. Het deksel vormt een barrière, een grens tussen de onbekende wereld erbuiten en de stille, vette perfectie binnenin. Wanneer de eerste trillingen van de mensenhand het deksel aanraken, is er een zachte anticipatie, een prikkel van verwachting, een voorgevoel dat zijn tijd is gekomen.
