Wie zich langzaam laat meedrijven over het stille water van de Utrechtse grachten, ziet hoe de tijd zich vermengt met de spiegeling van eeuwenoude gevels. De kades lijken te fluisteren, werfkelders vertellen geheimen uit vervlogen tijden, en bruggen buigen zich subtiel over het water alsof ze de rondvaartboten willen begeleiden in hun eeuwige tocht. Maar precies in die betoverende ontmoeting van heden en verleden ontstaat er een vreemd gevoel, een subtiele dissonantie: waarom zijn rondvaartboten niet rond? Want terwijl de naam ‘rondvaartboot’ zich speels om onze tong krult en ons verleidt tot de verwachting van zachte, vloeiende cirkels, glijdt er steeds weer een rechthoekig gevaarte langs, dat zich met moeizame hoekigheid door bochten wringt. Het woord ‘rondvaart’ roept een beeld op van moeiteloze elegantie, een zachte dans die zich eindeloos herhaalt; geen woord zo vriendelijk, zo helder in zijn eenvoud. Toch lijken we collectief vergeten dat de naam allang onthult wat de ideale vorm zou moeten zijn: rond.
