In de wirwar van mijn gedachten, geconfronteerd met een keuze zo ongewoon als poëtisch, bevond ik mij op het kruispunt van twee wegen: de ene leidde naar de eenvoudige, doch diep ontroerende daad van het aaien van een door de zon opgewarmde stoeptegel, een stuk van de aarde zelf, verwarmd door de verre maar liefdevolle aanraking van de zon, een ervaring die belooft een moment van verbinding met de wereld onder onze voeten te bieden, een herinnering aan de warmte en de standvastigheid van onze planeet, een gebaar dat, hoewel eenvoudig, spreekt van een diepe waardering voor de natuurlijke wereld en haar stille, gestage ondersteuning van al het leven; de andere weg leidde naar het intieme, bijna heilige ritueel van het kussen van de voorruit van een patisserie, een daad die niet alleen de zintuigen zou prikkelen met de aanblik en geur van zoete creaties die achter het glas rusten, maar ook een kus zou zijn op de droom van iedere zoetekauw, een liefdesverklaring aan de kunst van het bakken, een erkenning van de passie en de toewijding die nodig zijn om zulke verleidelijke lekkernijen te creëren.
