In onze moderne samenleving zijn de instinctieve territoriumdriften van de mens grotendeels onderdrukt. Waar onze voorouders hun omgeving markeerden door middel van geur, objecten of structuren, wordt dit gedrag tegenwoordig als overbodig, hinderlijk of zelfs destructief gezien. Toch schuilt in de mens een diepgewortelde behoefte om zich een omgeving eigen te maken. Het is een drift die niet enkel voortkomt uit een biologisch verleden, maar ook uit een psychologische noodzaak: de wens om verbondenheid en controle over de ruimte om ons heen te ervaren. Echter, in een samenleving waarin het willekeurig claimen van ruimte als ongewenst wordt beschouwd, is het tijd voor een alternatieve benadering: een subtiele, minder destructieve manier om onze aanwezigheid in een ruimte te bevestigen. Door zachtjes contact te maken met key-elementen in onze omgeving – zoals het laten glijden van onze hand over een stoeprand, het aantikken van de onderkant van een raamkozijn of het even raken van de achterkant van een verkeersbord – kunnen we onze territoriale driften op een haast rituele manier voeden zonder schade aan te richten.
