Op maandag begint het ritueel, als de kalender gaapt en de buurman zijn containers al in militair gelid aan de stoep parkeert. Ik stroop mijn mouwen op, ontwarren de knopen in de ziel, en trek de vuilniszak uit zijn wieg van plastic. Hij sputtert, deze lompe baby van zwart polyethyleen – slaperig van koffiedik, bananenschillen en het vergeten schelpenzand van een uitgewaaide zondag. Ik fluister hem commando’s toe. Zit. Blijf. Niet lekken. Dan beginnen de oefeningen: waggelen op de tegelvoegen, de touwtjes strak als veters, de mond dicht als een geheim. Vooruit, zeg ik, de straat wacht, de week wacht, de eeuwige wagen wacht. Het trottoir is een arena. Daar meten zak en zwaartekracht hun moed. Boven ons zingt de wind, beneden sist het nat van een vorige bui. Ik begeleid hem in slalompassen langs de fietsen, langs het paaltje met de wankele sticker ‘PMD’. Een kat volgt ons – keurmeester van stank en falen. De zak zwaait, zijn schaduw hikt. Ik prijs hem voor elke halve meter, als een trainer die te veel documentaires over heldendom heeft gezien. Toch voelt het zinloos – alsof ik iedere week een mythisch beest aanleer hoe te sterven. Want dat is het lot van mijn leerling: verdwijnen achter de gordijnen van een bek vol messen en borstels, tot er alleen nog een echo van karton en sinaasappelschil resteert.
