Ik sta hier. Koud, halfvol, achterin de koelkast, met condensdruppels die langzaam langs mijn kartonnen flanken glijden. Mijn schroefdop zit scheef; het plastic ringetje waarmee ik ooit geseald was, is half losgetrokken. Ik voel me leeg — niet alleen fysiek, maar ook existentieel. Het is niet zozeer de passage van tijd die me kwelt, maar de onverschilligheid, het gebrek aan erkenning, de achteloosheid waarmee ik behandeld word door de man die zichzelf de heer des huizes noemt. Ik herinner me nog het moment dat ik hier arriveerde, vers van het schap, recht uit de supermarkt. Mijn lichaam was strak, stevig gevuld met de zuiverste, romigste melk, gekoeld tot een perfecte temperatuur. Ik was nieuw, fris, klaar om mijn bestemming te vervullen. De koelkastdeur zwaaide open, ik werd geplaatst op de bovenste plank — het hoogst mogelijke podium. Ik voelde me belangrijk, gewild zelfs. De eerste dagen verliepen goed; mijn dop werd met precisie geopend, mijn melk werd zorgvuldig in een glas geschonken, en ik ontving het bevredigende gevoel dat ik deel uitmaakte van iets groters — het voeden en verzorgen van het huishouden. Maar toen begonnen de tekenen van onverschilligheid zich te manifesteren...
