Toen hij bukte om zijn veter te strikken, boog de gevel mee. Hij kruiste de uiteinden en het gebouw ging rechtop staan. De stad had haar verticale toestand blijkbaar aan zijn rechterschoen toevertrouwd. Zijn veter was versleten. Zijn knieën waren niet geraadpleegd. Een vrouw parkeerde haar boodschappentrolley en hield de bovenste lus vast. Ze vroeg niets. Misschien zag ze de balkons bewegen; misschien alleen iemand die te lang gebukt stond. Hij trok de knoop aan. Overal kregen dingen hun gewone gewicht terug. Een fiets viel om. Hij liet hem liggen. Eerst moest hij zelf nog overeind komen. Daarna liep hij verder met een dubbele knoop. Moest de hele stad weten waarom hij zo voorzichtig stapte?
