Halverwege zijn onderarm groeide een tweede elleboog. Bij het roeren in de koffie werkten de twee gewrichten elkaar tegen. Hij schoof de kop heen en weer om de suiker alsnog op te lossen. Op kantoor zag men mogelijkheden. Misschien kon hij voortaan achter kasten komen. De personeelsmedewerker vroeg of zijn functieomschrijving moest worden aangepast. Hij zei dat vooral zijn boterham dubbelklapte. Dat werd niet genoteerd. Zijn buurvrouw tornde de mouw open en zette er een driehoekje katoen tussen. Ze vroeg niet waarvoor het gewricht diende. Er moest ruimte komen voor iets dat er inmiddels was. Als dank repareerde hij haar kastdeurtje. De extra elleboog bleek daarbij overbodig. Het lukte op de gewone manier, langzaam en met het verkeerde gereedschap. Moest alles wat erbij kwam ook ergens goed voor zijn?
