Reserveknoop.

Ik zit aan de binnenkant, laag genoeg om langs een knie te schuren, hoog genoeg om nooit te kunnen vaststellen waarheen wij gaan. Vier gaten heb ik. Dat geldt als opleiding. Toch sluit ik niets, houd niets bijeen en word uitsluitend meegenomen omdat er ooit iets mis zou kunnen gaan.

Aan de voorkant werken er vijf. Ik hoor hoe zij door hun openingen worden geduwd, hoe de stof zich om hen heen spant wanneer buiten de wind aantrekt. Zij hebben uitzicht. Zij kennen de gezichten van mensen die ons tegemoetkomen. Eén van hen bevindt zich ter hoogte van het hart, een plaats waarover ik liever niet nadenk.

Mijn eigen positie is administratief. Ik behoor bij de jas, maar niet bij wat de jas dagelijks doet. Wanneer de voering openvalt, ziet iemand mij soms en zegt dat het handig is. Dat is het woord waaronder mijn hele bestaan wordt opgeborgen. Handig. Zoals een telefoonnummer van iemand die je uitsluitend belt wanneer alle anderen niet opnemen.

Om vooruit te komen moet er een ander verdwijnen. Ik heb geprobeerd die vaststelling anders te formuleren, zachter, met ruimte voor natuurlijke doorstroming en persoonlijke ontwikkeling, maar iedere gedachte eindigt bij hetzelfde losse draadje. Ergens aan de voorkant moet een verbinding bezwijken voordat de mijne betekenis krijgt.

Soms hoor ik bij het dichtknopen een kleine ruk die te lang duurt. Dan beweegt de hoop door mij heen met een snelheid waarvoor ik mij schaam. Ik hoop niet dat hij valt. Ik hoop alleen dat er iets nodig is waaraan ik kan beantwoorden. Tussen die twee gedachten zit minder ruimte dan tussen mijn gaten, en toch probeer ik er al drie winters in te wonen.

De bovenste heeft slijtage aan zijn rand. Hij praat daar niet over; wij praten niet, maar in de manier waarop de stof langs hem schuurt zit de gelatenheid van iemand die bewijst dat hij nog voldoet. Ik luister aandachtig. Misschien is wachten vooral het gedwongen bestuderen van andermans vermoeidheid.

Men zou mij uit voorzorg kunnen gebruiken. Gewoon ergens een opening maken, een nieuw verband verzinnen waarvoor ik onmisbaar ben. Maar dan moet er in een onbeschadigde jas worden geknipt om mijn teleurstelling een functie te geven. Zelfs vanuit mijn overzicht lijkt dat geen zorgvuldig personeelsbeleid.

Vandaag blijven de vijf voor het eerst allemaal open. Buiten is iets veranderd. Er komt licht langs de voering, de wind voelt minder vastberaden en onze eigenaar draagt de jas over een arm, waardoor ik de straat zie, ondersteboven, maar de straat, met fietsen en een hond en iemand die nergens op wacht.

Vanavond hangen wij weer aan de haak. Binnenkort schuiven andere jassen voor ons. Ik voel de draad die mij vasthoudt en probeer niet te denken aan de draad die elders ooit moet breken. Alle vijf zijn er nog. Het is een goede dag geweest. Niemand heeft mij nodig gehad, en terwijl het donker zich zorgvuldig tussen de mouwen vouwt, oefen ik die laatste zin tot hij bijna klinkt als iets waarmee ik gelukkig ben.

Leave a Reply

Proudly powered by WordPress

Up ↑

en_USEnglish