Achteroor.

Het oor zat ongeveer tussen zijn schouderbladen en was zo gewoon van vorm dat Boris zich aanvankelijk afvroeg of hij het altijd over het hoofd had gezien. Hij ontdekte het nadat zijn winterjas een hele tramrit had geklonken als een onweersbui in een papieren zak. Thuis zette hij twee spiegels tegenover elkaar. Tussen zijn vertrouwde moedervlekken lag een kleine oorschelp, een beetje naar links gedraaid, alsof ook die liever niet midden op zijn rug wilde zitten. Hij bewoog zijn schouders en hoorde zijn hemd met buitengewone nauwkeurigheid. Het oor kon geen stemmen uit het verleden opvangen, voorspelde geen gevaar en gaf hem geen toegang tot gesprekken achter gesloten deuren. Het hoorde voornamelijk stof. Een wollen trui was een grindpad, een nylon voering een zak aardappelen die voortdurend werd geschud. Boris sliep die nacht op zijn zij en werd wakker van zijn eigen kussensloop.

Zijn vrienden waren teleurgesteld over de beperkte mogelijkheden. Iemand opperde dat het oor een eerste stap moest zijn naar een mens die van alle kanten beter oplette. Een ander vond dat Boris er een podcast over moest beginnen. Hij probeerde uit te leggen dat beter opletten weinig zin had wanneer de wereld voor zeventig procent uit de binnenkant van een overhemd bestond. Een gehoortest leverde een merkwaardig formulier op: links voldoende, rechts voldoende, achter overbelast. De medewerker moest het laatste vakje zelf tekenen. Er werd een dempend kapje gemaakt, maar dat drukte tegen het oor zodra Boris in een stoel leunde. Hij kreeg vervolgens het advies vaker te staan, waarop zijn knieën bezwaar maakten tegen een probleem dat niet het hunne was. Het lichaam bleek geen eensgezinde organisatie. Wat voor het ene onderdeel een aanpassing heette, kwam bij het andere binnen als extra werk. Intussen begonnen mensen achter hem zachter te praten, alsof ze opeens in de buurt van een slapende baby stonden.

De oplossing kwam niet van een specialist maar van de verstelkleermaker op de hoek. Zij luisterde naar zijn beschrijving, voelde aan de stof van zijn jas en vroeg waar het precies zat. Vervolgens knipte ze geen gat, maar maakte een klein tentje in de voering: een zachte ruimte waarin het oor nergens tegenaan kwam. Van buiten was er nauwelijks iets te zien. Boris trok de jas aan en hoorde voor het eerst sinds weken een tram die gewoon als een tram klonk. De kleermaker schreef op het bonnetje: ruimte achter, zeven centimeter. Hij vond dat de nauwkeurigste beschrijving die iemand tot dan toe van zijn toestand had gegeven. Het oor bleef bestaan. Op warme dagen hoorde het af en toe een fietsbel eerder dan hij zich kon omdraaien, op andere dagen alleen regen tegen de capuchon. Er kwam geen indrukwekkend evolutionair vervolg. Toen zijn vrienden vroegen of de ingreep hem iets had geleerd, zei Boris dat jassen aan de binnenkant ingewikkelder mochten zijn. Daarna ging hij zitten, voorzichtig maar zonder zijn hele rug tot een vraagstuk te maken. Hij betaalde contant en wachtte tot de rits van zijn jas niet meer ruiste. De rekening stopte hij in zijn borstzak. Daar kon het oor niet bij.

Leave a Reply

Proudly powered by WordPress

Up ↑

en_USEnglish

Discover more from Mijn NiemandsLand

Subscribe now to keep reading and get access to the full archive.

Continue reading