Drie stenen lagen op een rij en de man vond dat voldoende. Hij had ze op de vensterbank gezet na een wandeling langs het water, waar alles voortdurend bewoog zonder daar iets mee te bereiken. De stenen daarentegen boden een heldere toestand. Er waren er drie. Ze lagen naast elkaar. Wie iets anders beweerde, moest eerst maar komen kijken. In de dagen daarna merkte hij dat het weer zich aan hun opstelling begon te houden. Zolang de rij recht lag, viel de regen recht omlaag. Als hij de middelste steen iets verschoof, trok de wind door de straat. Dat gaf zijn zekerheid een bruikbare buitenkant. Hij legde de stenen iedere ochtend zorgvuldig terug. Buren kregen droge was en fietsers minder tegenwind, zonder te weten aan wiens vensterbank zij dat te danken hadden. De man genoot daar niet openlijk van, maar hij maakte het raam wel vaker schoon. Op een zaterdag kwam zijn zus langs. Zij had een vierde steen meegenomen, plat en donker, omdat zij dacht dat hij stenen verzamelde. Ze legde hem naast de andere drie. Buiten viel de regen plotseling horizontaal.
Hij vroeg haar de steen weg te halen. Zij vroeg waarom. Dat was de eerste moeilijkheid. De tweede was dat ieder antwoord de vierde steen tot onderwerp maakte, waardoor hij steeds nadrukkelijker bij de opstelling ging horen. De man legde uit dat drie stenen een evenwicht vormden. Zijn zus wees erop dat evenwicht ook van vier poten bekend was. Hij sprak over waarheid. Zij zei dat er nu waarneembaar vier stenen lagen. Het raam begon te beslaan aan de buitenkant. De lucht drukte tegen het glas alsof zij wilde controleren wat er binnen fout ging. De man schoof de nieuwe steen achter de gordijnrand. De horizontale regen werd iets schuiner, maar hield niet op. Het hielp kennelijk niet iets uit het zicht te nemen wanneer het al in de telling was opgenomen. Zijn zus ging zitten en trok haar natte schoenen uit. Ze was niet gekomen voor een debat over een vensterbank. Ze had de steen gevonden, mooi genoeg om op te rapen, en aan hem gedacht. Dat laatste element paste nergens in zijn verdediging van de rij. Het had geen vaste vorm, geen meetbare afstand tot de middelste steen en toch bracht juist dat de hele ordening van slag.
De man pakte de vierde steen op. Hij voelde koud, met aan één kant een gladde plek die door langdurig water was gemaakt. Toen nam hij ook de andere drie van de vensterbank. De regen verloor onmiddellijk zijn richting en viel een paar seconden chaotisch, alsof de wolken opnieuw moesten overleggen. Vervolgens werd het gewoon slecht weer. Hij legde de stenen op tafel, zonder rij. Zijn zus draaide haar vondst tussen twee vingers en vertelde waar ze hem had gezien. Er zat een klein wit adertje in, bijna verdwenen in het donkere oppervlak. Hij had dat nog niet bekeken; hij had uitsluitend het aantal verdedigd. Ze dronken koffie. De stenen bleven liggen waar hun handen ze toevallig hadden neergelegd. Buiten werd niemand beloond met droogte en niemand bestraft met tegenwind. Later zette de man één steen bij het open raam om te voorkomen dat het dichtwaaide. De andere drie liet hij op tafel. Er was nog steeds voldoende waarheid om vast te stellen wat er lag. Alleen hoefde die waarheid niet langer verantwoordelijk te zijn voor de richting waarin het regende.


Leave a Reply